Marianne op reis
HomeVerhalenFoto'sRouteLinksContact

Ghana

 

12 februari 2004

Donderdagmiddag vertrekt vlucht kl589 om 14.55 uur van Schiphol. Het is grijs en grauw buiten, maar een minuut na opstijgen, zit ik lekker in het zonnetje. Er zijn 290 passagiers aan boord, waaronder ongeveer 15 blanke. Ik zit aan het raam, maar net boven de vleugel, dus kan weinig zien. Er zijn 5 stoelen leeg, waaronder die naast mij, dus dat is fijn voor de benen! Als ik iets kan zien door het donzen dekbed waar we over vliegen, zitten we al boven Frankfurt.

Dat had ik niet verwacht. Ik dacht dat we over Frankrijk en Spanje zouden gaan. Om 15.50 uur boven het meer van Geneve. Buiten is het -53 graden met 950 km per uur op een hoogte van bijna 11 km. Dan komt Grenoble, de Provence, Nice en de Middellandse zee. Om 17 uur Algiers en dan komt de Sahara. Een adembenemend landschap van lichtbruine golven en heuvels. Uren lang. Dan gaat de zon onder. Een tijd lang een enorme rode bol die de wolken inzakt en daarna een vuurwerk van geel, rood en oranje. Prachtig!

Het is donker als we boven Mali en Burkina Faso vliegen. Eindelijk, maar keurig op tijd, om 21 20 uur landen we in Accra.

Al de vliegtuigdeur opent, is het alsof er stoom naar binnen komt. het is nog 30 graden.

Na een uurtje formaliteiten en papierwerk, kan ik eindelijk naar buiten, waar Marloes tussen de honderden Ghanesen achter dranghekken staat te wachten. Geweldig !! Een voor mij emotioneel weerzien, maar veel tijd krijgen we niet, want vele taxichauffeurs staan ruzie te  maken om ‘ons’ ritje te mogen doen. We komen in het, voor Ghanese begrippen, zeer comfortabel hotel met airco en douche. Na een paar uurtjes kletsen, slaap ik wonder boven wonder prima.

 

13 februari 2004

Vroeg opgestaan. Ontbijt met verse ananas, papaja en roerei. Dan de stad in. Lopen, lopen, lopen. Vrouwen bijna allemaal in prachtige, kleurige gewaden en bijna allemaal dragen ze iets op het hoofd. Dozen, kisten en zelfs kleine tafeltjes of enorme emaillen schalen hoog opgestapeld met bananen, kokosnoten, zakjes water of papaja’s. Tussen het hoofd en lading ligt een opgerolde doek.

We moeten geld wisselen in de Barclay bank. Het hotel kan niet betaald met credit card, dus moet er relatief veel gehaald. Ik wissel 200 dollar en krijg een stapel geld van minstens 10 cm. dik. Driehonderdvijftig briefjes van 5000 cedi.

Dan naar de Makola markt. Het is super druk. Een wirwar van zandwegen. Smal en aan beide kanten kisten, tafels en dozen, volgestouwd met koopwaar. Fruit, snoepjes, tandpasta, horloges, radio’s, noem maar op. Slippers gekocht voor 5000 cedi (50 cent)

het is bloedheet. Zo’n 36 graden. Er waait een harde noordenwind. De Sahara wind noemen ze die hier, met veel zand en stof en het is broeierig. Iedereen loopt met een doekje om het gezicht af te vegen.

Dan lopen we naar het strand. Aan het water op een lichtblauw bankje zitten we coca cola te drinken. Er is verder niemand. We bestellen ‘fried rice’ met kip en een scherp garnalensausje. het is heerlijk en het best te vergelijken met nasi.

Met de taxi terug naar het hotel, waar we onze druipende kleren te drogen hangen en ons zwetende lijf kunnen douchen. Dan valt de airco uit en wordt  het ook in onze kamer over de 35 graden.

 

14 februari 2004

Zaterdag. Het is Valentijnsdag. Ook hier zie je overal kraampjes met plastic harten, kaarten, rozen van plastic e.d. Voor zeven uur op. Weer gaan we de stad in. Nu naar het “national cultural centre” – een soort markt, maar dan alleen met handwerkers. Veel stoffen, houtsnijwerk, sierraden en tassen. Het is nog stil zo vroeg. We zijn de eerste klanten. Er moet veel en lang onderhandeld worden over de prijzen. Dan weer verder lopen. Het is warm. Langs arme wijken. Veel rommel op straat. Plastic, stenen, betonbrokken. Af en toe roept een koopvrouw sissend ssssssssss. Dit betekent: ‘KOM’. Ze verkoopt, op een schaal op het hoofd, een soort oliebollen, banaantjes of zakjes water. Bananen zijn half zwart, heel klein, maar heerlijk zoet. Sinaasappels zijn groengeel. Ze schillen ze dun en snijden het kapje eraf. Dan kan je het sap eruit knijpen en zuigen. We lopen langs een duurdere wijk. Hier zien we een enkele blanke lopen of rijden. Hier is ook een supermarkt. Het doet me denken aan een campingwinkel. De hitte is zelfs voor de Ghanesen erg. Na de douche in het hotel en een uurtje rusten, lopen we naar het internetcafé, waar in contact heb met familie en vrienden. Daarna lopen we naar het huis van Kwabena. Hij is de eigenaar van het huisje waar Marloes woont in Besease. Kwabena woont en werkt in Accra en gaat elke veertien dagen een weekend naar Besease. Hij heeft ons uitgenodigd om bij hem te komen eten. Zijn vrouw en nichtje (dat bij hem woont, net als zijn neef) koken voor ons yam (een soort aardappel) met een prutje van vis, tomaten, wortels en ‘green vegetables (een soort spinazie). We moeten bier drinken van hem. We krijgen ons eten geserveerd in de kamer op het ‘prachtige’ bankstel. De rest van de familie verwijderd zich. Ze eten apart. Dan doen ze hier kennelijk.

Kwabena brengt ons in zijn auto weer naar het hotel. Het is bijna donker. Het licht wordt hier oranje/geel. Het is een licht dat ik niet ken. Alles wordt zacht en diffuus, alsof er zand in de lucht is. Prachtig!!

In het hotel kijken we naar de Ghanese tv. (Het wordt aangeraden om niet s’avonds de straat op de gaan). Er is een Franse film over het leven van George Sand.

Marloes heeft buikkrampen, diaree en geeft over.

s’Nachts gaat het over en voelt ze zich weer wat beter.

 

15 februari 2004

Marloes ors gegeven. Het gaat gelukkig steeds beter. Om 8 uur s’ morgens zal Kwabena ons halen om naar het busstation te gaan. Hij is nota bene keurig op tijd!!

Aangekomen bij het busstation, blijkt dat alle bussen naar Kumasi vol zijn. Er is een belangrijke finale van voetbal. Het eerste team van Kumasi. In voetballand Ghana een hele belangrijke gebeurtenis. Veen mensen hebben rood/witte kleding aan, de kleuren van de club. Kwabena brengt ons naar een ander station. Het ziet eruit als een autokerkhof en het is er ongelofelijk druk. Honderden mensen krioelen door elkaar en als de kofferbak open gaat, graaien vele zwarte handen naar onze bagage. Kwabena schreeuwt wat en ze laten ons met rust. We bemachtigen een plek in een zeer comfortabele bus. Nota bene met airco! Het wordt wel proppen. Met z’n vieren op een bankje zitten we met 14 mensen in een formaat vw-bus. O, nee, er komt nóg iemand bij. Het is zondag, met de bijbel in zijn hand perst de “preacher” zich aan de zijkant in de bus. Hij moet half gebogen staan, achterstevoren, legt de bijbel op schoot bij iemand en begint zeer luid te preken. Half Twi (de nationale taal) half Engels. Ik hoor steeds ‘God bless you”. Zo blijft hij een half uur meerijden, hobbeldehobbel over alle gaten, drempels en stenen in de weg. Dan stop de ‘driver’ en de geestelijke stapt uit. Ons zakje brood valt van mijn schoot naar buiten in het zand. Marloes, die tegen de deur zit, moet tassen en zichzelf vasthouden totdat de deur weer wordt dicht geknald.  Voortdurend toeterend gaat het weer verder, de cassettespeler op volume 10. Knetterharde reggae muziek schalt tot het eindstation (300 km verder) door de bus. Veel mensen zingen mee.

We rijden over heuvels, deels asfalt, deels gravel. Bloedhard! 75 mijl per uur zie ik op de snelheidsmeter, hoeveel kilometer is dat?? 110-120? Voortdurend inhalend en slingerend van links naar rechts om de diepste gaten te ontwijken. Niemand eet of drinkt. De bus stopt niet. Of toch… één keer om nog iemand de bus in te proppen. Kennelijk een bekende van de chauffeur. Hij stond naast de weg te zwaaien. Onze chauffeur is klein. Kan nauwelijks boven het stuur uitkijken. Hij heeft het, ondanks de airco, er warm en veegt steeds het zweet van zijn hoofd en armen. Onderweg even afremmen voor een omgevallen vrachtwagen die dwars over de weg ligt. De cabine zweeft op zijn kop boven de berm.

We passeren dorpen. De huizen zijn van roodbruine klei blokken of grijze betonstenen met daken van roestige golfplaten of palmbladeren. Soms alleen bamboe palen met bladerdak. Overal lopen mensen langs de weg. Velen met iets op het hoofd. Takkenbossen of gekleurde plastic emmers en teilen.

Heuvel op, heuvel af rijden we. Veel groen, maar het regenwoud is bijna uitgeroeid. Er is wijdverspreide vegetatie. Palmbomen, bamboe bossen, papaya bomen en vele die ik niet ken. Pompstations met vooroorlogse glazen-luchtbel-overhevelsysteem, maar ook wel iets modernere. We passeren Knongo, duapompo, Nkawkaw, Kibi en Nsawarm, langs politie afzettingen, stoffige vrachtwagens met enorme lading bamboe palen en daarbovenop 10 tot 20 mannen. In de dorpen staan overal kraampjes langs de weg. Elk dorp heeft iets te koop. Allemaal verkopen ze dan hetzelfde!! Bijvoorbeeld broden, tientallen tafels met alleen maar broden, en dan ook nog allemaal dezelfde broden!). Een volgend dorp heeft bananen en plantain vruchten (een soort grote bananen). Grote trossen met de stam er nog aan. Weer een ander dorp heeft zwart geverfde terra cotta schalen. allemaal dezelfde maat. Weer verderop rode palmnoten in zakken en plastic vaten met rode palmnoten olie.

De aarde is rood. Soms oranje rood, soms gelig bruinrood. Meestal de kleur van onze gravel tennisbanen.

Na vier uur rijden (supersnel door onze race bus; normale reistijd is 6 uur) komen we aan in Besease.

 

Besease.

Zoals de meeste dorpen ligt Besease langs de hoofdweg, de grote weg van Accra naar Kumasi. Het ligt 30 km. ten zuidoosten van Kumasi. Je loopt direct vanaf de weg het dorp in over de brede rode zandweg, oneffen, vol kuilen, regengoten en stenen. Aan weerszijden staan huizen. Niet tegen elkaar gebouwd, maar ze nemen ook niet echt de ruimte. Soms stenen huizen. Stenen maken ze zelf van mallen waarin cement wordt gegoten. Sommige huizen zijn netjes geverfd. Er zijn maar een paar kleuren die je overal ziet. Geel, roze, blauw en wit. Veel huizen zijn van klei. Vierkante rode klei blokken tussen bamboe palen gestapeld. De daken zijn van golfplaten of bladeren. De meest huizen zijn haveloos. Rond de huizen is soms netjes, soms een zooi. De mensen zijn meestal buiten.  Bezig met de was (alles gaat met ‘key-soap’, het is een soort sunlight zeep zoals we die van vroeger kennen, maar ze verkopen het in staven), bezig met fufu stampen (gekookte cassave met yam in stukken in een stenen pot wordt door een man of vrouw met een 2-3 meter lange dikke stok gestampt, een ander gooit het mengsel steeds om). Veel zitten te kletsen of voor zich uit te kijken. Veel mensen groeten ons, zwaaien of roepen “Maaaaloeoeoes”(met lange uithalen iets roepen, betekend dat ze blij en enthousiast zijn). Ook vragen ze vaak: “Maaaloeoeoes, issit ja sista or ja mother?” Als ze horen dat ik de moeder ben, komen ze een hand geven en vragen hoe ik heet. Tegen Marloes zeggen ze dat ze nu zeker wel ‘verry happy’ moet zijn. Hereniging met je moeder wordt hier toch wel als het meest gelukmakend beschouwd.

Kinderen roepen “broni, broni” (een versnelling van oburoni = blanke). Ze lachen, nemen mijn hand of lopen achter ons aan.

Wij wonen in een ‘volunteer room’ in het huis van Kwabena. Kwabena is de zoon van Rose. Rose is de beheerster van het weeshuis (ze is ongeveer 70 jaar). Het huis bestaat uit een stuk of 5 kamers die om een binnenplaats zijn gebouwd. Elke kamer heeft een deur naar de binnenplaats, die ze hier ‘garden’ noemen. De vrijwilligers hebben één kamer. Er staat een tweepersoonsbed en een stapelbed. Er is elektriciteit, maar die valt zeer regelmatig weg. Er hangt een peertje en een ventilator, waar we heel blij mee zijn, maar ook heel veel lawaai maakt. Omdat ik op bezoek ben, mogen Marloes en ik de kamer van Kwabena gebruiken. We krijgen de sleutel van Rose. Naast onze kamer is een keuken. Er staat een fornuis dat op butagas werkt. Dat is heel bijzonder. De meeste mensen koken op houtskoolvuur buiten op straat of in de ‘garden’. In de keuken staan grote plastic vaten, die worden gevuld met water. Het water wordt gehaald door jongetjes van het weeshuis of door Gideon die ook in ons huis woont. Ze halen het in zinken emmers of teilen bij de pomp. De pomp is net buiten het dorp, 10 á 15 minuten lopen. De teil of emmer gaat op het hoofd. Ook als die boordevol water is!! De badkamer is naast de keuken. Als wij ‘douchen’, gebruiken we een emmer water. Met een beker schep je water uit de emmer en giet je over je hoofd. Er is een muurtje in de badkamer waar je achter kan staan. De deur kan niet op slot. Er is een toiletpot die ook met een emmertje water doorgespoeld kan worden. Het rioolwater gaat direct door een gat in de muur naar de straat in een open goot. De meest mensen hebben geen toilet, maar plassen gewoon op straat of in een hoekje.

In het huis wonen verder nog Ester (50 jaar en schoonzus van Kwabena) met haar vier kinderen. Vivian (30), Emanuel (27), Eunice (17) en Gideon (14). De vader van de jongste twee is pas geleden overleden aan malaria.

 

17 februari 2004

Bobiri forest.

De zuidelijke helft van Ghana was ooit regenwoud. Door ontginningen en roofbouw is hier bijna niets meer van over. Op enkele plaatsen is een klein stukje bewaard gebleven dat nu beschermd wordt door meestal Engelse en Nederlandse organisaties. Landbouw universiteiten doen hier vooral veel onderzoek. We zijn vanuit Besease naar het Bobiri Rainforrest gereden (met de taxi, 30 kilometer voor 30.000 cedi = 3 euro).

Het bos is ongeveer 55 vierkante kilometer. Er zijn wandelroutes gemaakt tussen de 1 en 5 uur. Als we aankomen, krijgen we eerst een rondleiding door het questhouse en een toelichting over het hoe en waarom van dit gebied. Er komen zo’n 400 verschillende vlindersoorten voor en vele tropische vogels. In de ‘Bradt’ (de Engelstalige toeristische bijbel over Ghana), staat dat er ook veel andere dieren zijn zoals apen, maar volgens de beheerder zijn die al uitgemoord door stropers of gevlucht.

Overigens, zo’n ontvangst hier gaat overal gepaard met handen geven, namen uitwisselen, ‘how do you see Ghana?” is een veelgehoorde vraag. Een social talk die soms heel lang kan duren. Uiterst vriendelijk, zeer gastvrij.

De beheerder vraagt of we een gids mee willen. Dat willen we niet en we nemen de route van ongeveer 1,5 uur, langs de gele stippen op de bomen. We lopen, eerst toch een beetje voorzichtig het bos in en staan bijna direct voor een enorme geguoa boom. Het is bijna griezelig, zo groot!! Ik schat de diameter ongeveer 3 a 4 meter. Op een hoogte van 5 a 6 meter begint de stam naar beneden toe grote “vleugels” te vormen, waar je met een hele groep mensen in zou kunnen staan. We zien veel van deze bomen gedurende de tocht. Het is dicht begroeid, het bos. Veel hoge bomen, maar ook struiken en klimplanten met enorme stengels en bladeren. Met bloemen, soms met vruchten, echt zoals je je een tropisch regenwoud voorstelt. Ook de geluiden. Immens grote krekels maken een oorverdovend getjilp.  Vogels die klinken als oe-oe-oe, sommige zingen, andere krijsen. Slingerplanten groeien dwars door elkaar of als slangen rond de bomen. Grote torren, miljoenpoters, mieren en ontelbare vlinders. Heel veel vlinders. Grote (tot wel 20 cm.) en hele kleine. Witte, knalgele, blauwe, maar ook groenige en bruine, die je niet ziet totdat ze bewegen. Ik voel me heel klein hier. De beheerder zei dat we veilig kunnen lopen, maar toch kijken we goed uit waar we onze voeten neerzetten. het is vochtig warm, maar koeler dan in de brandende zon.

als we terug zijn bij het gebouw, krijgen we een flesje fanta met een rietje en praten nog wat. Dan lopen we de vijf kilometer terug over de rode zandweg, dwars door heuvelige velden vol bananenbomen, kokospalmen, mangobomen, avocadostruiken. In het dorp langs de hoofdweg kopen we een sinaasappel. iedereen groet en kinderen lopen lachend achter ons aan. Ik heb een zakdoek op mijn hoofd vanwege de felle zon.

Langs de grote weg, wachten we op een trotro (busje). Als er een trotro komt die nog plaats heeft, toetert hij. als je je hand opsteekt, stopt hij.

Voor 30 cent voor ons samen, zet hij ons weer af bij ‘ons’ dorp Besease.

 

19 februari 2004

Kumasi.

Kumasi is de tweede stad van Ghana en ligt ongeveer 300 km landinwaarts.

Het is ons afgeraden om in het donker buiten te lopen. In Besease was dat niet zo, maar hier in deze grote stad doen we dat dus ook maar niet. Gedwongen in onze hotelkamer dus van 18 uur, want dan valt snel het duister in.  We logeren in Kingsway Hotel. Een ‘budget’hotel, een ‘dure’ kamer met airco voor 12 euro per nacht.

Twee grote bedden van 1.10 m. breed, zwartbruin hout, ook de meubels. Koloniale jaren 20 meubels. Twee stoelen met kapotte veren, kaptafel en schrijftafel. Het is erg oud, versleten en kapot. Vergane glorie, maar het heeft wel wat. Een enorme badkamer met kapotte tegels en een enorm bad, maar geen stromend water. Er staat een groot vat met water, voor het geval het stromend water wegvalt, wat dus bijna voortdurend het geval is. Ik voel me hier prima!

Het hotel staat in het centrum. Lang kijk ik over de balkonrand naar de straat, twee verdiepingen lager. het is donker, negen uur en nog zo’n 29 graden.

Het is nog levendig op straat. Aan de overkant is een huis in aanbouw. Ze gebruiken hier geen stalen steunpilaren maar bamboe. Ernaast wordt gezongen door een gezelschap. Het zal ongetwijfeld gospel zijn. Ze worden begeleid door een drummer. Ik krijg er kippenvel van, zo mooi! Nog steeds lopen koopvrouwen met hun spullen op het hoofd. Groepjes lachende mannen, nog een enkel spelend kind. Ik zou ik graag tussen willen lopen, maar ben verstandig en blijf binnen. Ook beter voor mijn schrift, anders wordt het niet vol.

Dit was de derde dag in deze stad en ik ga met pijn hier weg. Het is hier geweldig! Druk, druk, druk. Men zegt de meest hectische stad van Afrika, maar de sfeer is goed. De mensen vrolijk. In het begin nog een beetje griezelig om een stalletje binnen te stappen om b.v. een geverfde lap stof te kopen. Ze rekenen nog steeds in yards. De mensen zijn allemaal even vriendelijk. “thank you sista, have a good day”. Marloes, met haar lange dreadlocks wordt vaak nageroepen “hé, rasta woman!!! Ze is een bezienswaardigheid. Blank (we hebben in deze drie dagen Kumasi 3 andere blanken gezien) én een vrouw met dreads. Dat hebben ze hier nog nooit gezien. Men praat engels met ons, maar het ghanese engels is moeilijk te verstaan. De uitspraak is anders. Het Twi kan ik echt niet verstaan. Marloes al wel sommige woorden.
In de binnenstad zijn alle stoepen in beslag genomen door handelaren. Elk plekje is benut. Om te lopen gebruik je een klein stukje van de straat. Daarnaast loopt het riool. Meestal open, soms met een metalen of stenen rooster. Je stapt er steeds overheen. De geur van het riool vermengt zich met de geur van vis, gebakken banaan, kruiden, fruit en rook.

Alles staat kriskras door elkaar en toch, als je hier een paar dagen bent, zie je structuur en min of meer orde.

Wat betreft de handel: de tijd staat hier stil in Kumasi. Producten die wij al lang weer vergeten zijn, zie je hier nog volop. De sunlight zeep (Key soap) ligt in staven. Je wijst hoe groot het stuk moet zijn dat je wilt kopen. Ze wassen zichzelf en hun kleren ermee. Er zijn ook veel kraampjes met schoenen. Je kunt er ook je nagels laten manicuren. Door mannen overigens. Hun manicuur gereedschap lijkt meer op mijn timmerkist. Cola en Fanta krijgen we in de ouderwetse flesjes met een rietje. Oude kranten worden gebruikt om fried yam (een soort aardappel stukken in frituur gebakken), gebakken banaan of vis in te verpakken of wordt gebruikt als wc papier. Al deze kranten komen uit … jawel, Nederland!

Veel mannen, meestal oude, lopen nog in traditionele ‘lappen jurken’ met een blote schouder, zoals we dat kennen uit India.

Het is half tien, ik ga slapen. We staan hier altijd vroeg op. We hebben geen dekens. Ondanks de airco is het in onze kamer 27 graden.

 

26 februari 2004

Verkeer in Ghana.

Fiets.

In de tijd dat hier ben, heb ik misschien 20 fietsen gezien. Ze zijn hier dus bijna niet. Iedereen loopt of gaat met de trotro of taxi.

 

Kar.

Je ziet hier nog veel handkarren. Metalen frame met 4 kleine autobanden eronder en aan beide kanten een trekstang. Boordevol worden ze geladen. Enorme stapels, meestal zakken. Eén man voor en één man achter. Hellende straten. Je ziet ze zwaar duwen en trekken. Vieze stoffige kleren, blote voeten of slippers, kletsnat van het zweet. Auto’s rijden toeterend langs ze heen.

 

Taxi.

Heel veen taxi’s. Acht van de tien auto’s zijn taxi’s. Te herkennen aan gele wielkasten en het bordje op het dank. Het is dus een gekrioel van taxi’s op straat. Duizenden!! Ze toeteren voortdurend. Als je er naar kijkt, toeteren de taxi’s die plaats hebben. Je steekt je hand op en hij stopt. Je hoeft nooit lang te wachten. In de stad betaal je nooit meer dan 10.000 cedi (1 euro) voor soms wel 20 minuten rijden.

Shared taxi.

De shared taxi deel je dus met anderen. Hij zet je niet af voor de deur, maar ‘op de hoek’ en wacht niet op je.

 

Trotro.

De trotro is een busje. Het varieert tussen een mini bestelbusje en grotere. Het is de goedkoopste vorm van vervoer hier. In de stad ga je naar het trotro station.

Op loketjes staan handgeschreven bordjes met de bestemming. Daar koop je een kaartje, handgeschreven briefjes van 3x4 cm. Als je veel bagage hebt, gaat dat (tegen extra betaling) onder de bankjes of achterin. Als het niet past (er zijn mensen die enorme zakken meel, rijst of casave meenemen) blijft de achterklep open en wordt die vastgesjord met een touw. Ook kan er veel op het dak. Ze klimmen via de handen en schouders van een maat naar boven en hijsen koffers, dozen en zakken op het dak. We houden onze rugzakken goed in de gaten, want als er iemand uitstapt die bagage mee heeft, moet alles er weer uit om de achterliggende koffers te pakken.

De bus heeft een chauffeur (driver) en een ‘mate’. De mate zorgt voor in- en uitstappen, het betalen en de bagage. Als je er uit wil, vóór het eind station, roep je naar de mate. Hij bonkt met zijn vuist op het dak (via het open raam) om de driver te laten stoppen. Als je achterin zit, moeten er eerst mensen uitstappen voordat je er uit kan. Aan de zijkant van de bus zijn klapstoeltjes die omhoog moeten. De uitgang is een schuifdeur aan de zijkant. Voor 350 km. rijden betaal je 20.000 cedi (2 euro). Voor een luxe bus met airco is dat 45.000 cedi.

Veel trotro’s    zijn van boven tot onder gedeukt. Ramen kunnen niet meer open of niet meer dicht. Meestal doen alle metertjes het niet meer. Planken op de vloer soms, anders zak je erdoor. Als het regent, lekt het binnen. Soms zit je op metalen stangen omdat de kussens zijn versleten of verdwenen. Op de zijkant staat soms nog Nederlandse of Duitse reclame. Achterop staan vaak religieuze spreuken, zoals “showers of blessings”, “god never sleep”, “jesus is hope”.

 

20 februari 2004

Kumasi – Axim.

Half zeven op. Vóór acht uur zijn we bij het busstation (met de taxi) We nemen de trotro naar Takoradi. Het is 350 kilometer. Takoradi ligt aan de kust in het oosten van Ghana. Om 15 uur komen we er aan. We hebben er 6 uur over gedaan. Geen pauze. Er is geen airco. De chauffeur is nog jong, maar rijdt netjes en rustig. Aangekomen in Takoradi zijn we heel flink (vinden we zelf) en nemen direct de volgende trotro naar Axim. Nog eens 70 km. Om half vijf zijn we er. Dan nog een stuk met een taxi die ons naar de hemel op aarde brengt: Axim Beach Resort. Ongeveer 5 km. buiten Axim, aan de kust. Ronde, rood geverfde hutjes met kegelvormige rieten daken. Uitzicht op zee met hoge golven en een perzikkleurig strand, helemaal omsloten door palm- en vijgenbomen. Op het strand staan puntige rieten afdakjes om onder te zitten. Bij het hutje hebben we een kleine veranda. Met de krekels achter me en de rollende branding voor me, zit ik naar het invallen van de avond te kijken. De vermoeiende reis is al weer vergeten. Enorme roofvogels zweven boven me. Om zeven uur (het is dan al donker) lopen we naar het restaurant, waar we buiten kunnen eten. Marloes voor het eerst sinds heel lange tijd weer pizza en ik neem curry garnalen met gebakken rijst. We drinken voor het eerst koffie. Het is paradijselijk.

De sterren zijn ontelbaar als we om negen uur naar onze hut lopen. Getjilp, gefluit en de ruisende branding horen we de hele nacht door de zes grote open ‘ramen’. Dekens krijg je hier nergens. Is ook niet nodig, het is erg warm, geen airco.

 

21 februari 2004

Axim.

Vandaag een rustdag. Na het vroege ontbijt buiten, zitten we om negen uur aan het strand. Lezen en schrijven. Kijken naar de enorme golven en naar de koddig opzij-rennende doorzichtige krabbetjes.

Tegen de middag lekker douchen (er is hier een echte douche, i.p.v. de bekende ‘bucket-shower’) en lunchen met tonijnsalade en verse ananassap (i.p.v. gebakken banaan of oliebol op de hoek van de straat). Uit een soort van schuldgevoel omdat ik vandaag ‘niets’ doe, ga ik wandelen naar de stad. Marloes gaat niet mee.

Axim ligt ongeveer 4 kilometer vanaf het hotel. Bij de uitgang wijst de bewaking me hoe ik moet lopen. Eerst een stuk door de “bush” over een heel smal zandpad. Na een tijdje kom ik een man tegen. Hij spreekt me aan. Even schrik ik. Wat moet hij?  “Where are you going ma’am?”. Ik zeg hem dat ik naar Axim loop. “Where is your daughter?” en “vous parlez francais?”. “You not know me, but aim the cook!!”.

Vanuit de keuken kan hij zien wie er op het terras zitten te eten. Hij vertelt dat hij uit Ivoorkust komt (en dus Frans talig is) en vraagt of ik de curry shrimps lekker vond de vorige avond. Dan wenst hij me een fijne wandeling.

Ik neem me voor om van niemand meer te schrikken en loop verder.

Ook al is het half vijf, de zon schijnt en het is erg heet. Mijn zakdoek in mijn hand voor de straaltjes langs mijn voorhoofd en hals. Het fototoestel en een flesje water in m’n rugzakje. Langzaam wordt het minder begroeid en komen huisjes in zicht (links van me is de zee). Nou ja, huisjes… krotten zijn het. Zelfs nog niet eens. Overblijfselen van krotten. De zandweg wordt breder en er lopen wat mensen. Ze noemen het hier ‘fischermen village  below’. De krotten staan op het strand. De mensen zijn hier armer dan arm. Hebben echt helemaal niets. Wonen met 10 – 12 mensen onder een kapot golfplaatje of bladerdak van enkel vierkante meters. Muren zijn er niet of nauwelijks. Geen vloer, alleen zand. De mensen lopen, zitten of liggen half op straat en zijn erg zwart. Zwarter dan de mensen in de stad. Ze praten, doen een soort spel, zijn in een teil kleren aan het wassen (ook de mannen!) of koken op een vuurtje op straat. De zandweg is dus half zwart van het roet.

Ik voel me erg wit.

Dan kom in bij fort Sao Antonio. Een wit fort, half in zee gebouwd door de Portugezen in 1515. Foto’s maken kan ik niet. Er zijn te veel mensen die zich bedreigd voelen als je een foto maakt. Jammer. Ze denken dat, als je een afbeelding van jezelf maakt, je ziel verloren gaat. Ook geloven de meest mensen hier in vervloekingen en voodoo. Naast het fort, de haven met honderden houten boten. Grote (2 bij 20 meter) en kleine. De meest boten hebben geen zeil. Ze gaan met 10 tot 20 mensen in de boot en peddelen. Vermoeiend lijkt me, want de golven zijn hoog. De boten zijn beschilderd. Veel lichtblauw en witte vlakken met letters en afbeeldingen. Ze zijn hoog op het strand getrokken en ik kijk er tegen op als ik er langs loop. Ik loop nog een rondje ‘upper town’, waar wat stenen huizen staan, maar ongelofelijk arm, smerig en haveloos.

Dezelfde weg terug. De straten zijn ook ingenomen door geiten, kippen en honden. Allemaal broodmager, vol zweren, zwanger of zogend.

Ook veel kinderen. Honderden. Met grote ogen, snottebellen en lieve lachjes zwaaien ze verlegen naar me en roepen “oburoni, akwaba!!” (blanke, welkom!).

 

23 februari 2004

 

WIST JE DAT  JE HIER IN GHANA:

 

·         als je een bon wil van je hotelrekening, wel een half uur moet wachten…

·         mannen onderling heel lichamelijk zijn, soms hand in hand lopen en zelfs bij elkaar op schoot zitten…

·         dat dat niet te maken heeft met homofilie, maar alles met vriendschap…

·         dat het er raar uitziet en dit bij ons niet kan…

·         als je in de trotro zit, nergens naar de wc kan, ook al duurt de reis 6 uur…

·         als de nood heel hoog is, dat je dan kan vragen of de chauffeur wil stoppen, dan kan je aan de kant van de weg even…

·         dat je niet zo vaak hoeft te plassen, omdat je zoveel zweet…

·         als je als eerste in de trotro stapt, heel lang moet wachten voordat de bus vol is…

·         dat dat wel twee uur kan duren, en dat de bus dán pas gaat rijden…

·         als je zo lang zit te wachten, je je niet hoeft te vervelen, omdat er honderden interessante mensen lopen om naar te kijken en 

          veel van hen proberen iets te verkopen…

·         dat je dan kan kiezen uit kauwgom, plastic zakjes water, tandpasta, koekjes, yoghurtijsjes, blikjes gecondenseerde melk,

          slippers, brood, gebakken banaan, avocado’s, zonnebrillen, gekookte eieren, zakdoeken…

·         de zakjes water alleen door meisjes verkocht worden…

·         de ijsjes door jongens…

·         het wel heel erg warm in de bus is, vooral als je dicht tegen een stinkende man of vrouw zit…

·         men geen washandjes kent, maar stroken gaasachtig stof om je rug mee te wassen…

·         als je dood gaat, er feest gevierd wordt…

·         de mensen dan lachen, zingen en dansen…

·         omdat je dan het hoogst denkbare hebt bereikt…

·         mannen soms hele lange nagels hebben…

·         ze geen deuken uit auto’s laten halen…

·         dat dat ook eigenlijk dure onzin is…

·         heel veel vrouwen hier een pruik dragen, zo niet, het haar altijd ontkroest is…

·         auto’s hier niet stoppen voor dieren…  echt niet…

·         ik heel blij word van alle vrolijke, aardige mensen…

·         mensen in de bus vaak meezingen met de heerlijke Afrikaanse muziek die de hele reis door de luidsprekers schalt…

·         ik hier nooit bang ben geweest (behalve voor spinnen)…

·         de bermen langs de weg met een kapmes kort worden gehouden…

·         honderden kilometers lang, met een kapmes…

·         tijdens de rit vaak wegversperringen zijn? voor een dorp of je langzamer te laten rijden, zodat de bevolking naast de bus

          komt rennen om iets te verkopen. of voor een politie controle…

·         dat de chauffeur dan geld geeft aan de politie en dan door mag rijden…

·         op deze  manier dus geen enkele bus wordt gecontroleerd op veiligheid…

·         dat maar goed is ook, omdat er dan geen bus meer zou rijden…

·         je je vanzelf moet ontspannen en je je gelaten gaat gedragen als je zo lang in de hitte over slechte wegen hobbelt…

·         er hier intense armoede is, maar dat men daar niet apathisch door is geworden…

·         dat ze vrolijk blijven en je ze ziet genieten en lachen…

·         je in de bus nog minder beenruimte hebt als in het vliegtuig…

·         je vaak je tas op schoot moet houden…

·         je zeker 2 liter vocht verliest…

·         als de bus stilstaat, de temperatuur wel kan stijgen naar 50 graden…

·         je bijna geen foto’s kan maken van mensen, omdat je toestemming moet vragen, die je dan bijna nooit krijgt.

·         als je het toch doet, mensen echt boos worden…

·         er hier veel gieren zijn…

 

 Wil je meer foto's bekijken? Klik dan hier.

Copyright © 2007-2012 Marianneopreis.nl. All Rights Reserved. Designed by Marloes.